Inkepinkie voelde haar nog vóór hij haar zag. De lucht in het woud werd zwaarder, alsof het groen zijn adem inhield. De boze fee kwam dichterbij, haar stappen onregelmatig, haar adem hortend van woede. Inkepinkie zweefde laag bij de grond, de tarotkaarten stevig tegen zijn borst gedrukt. Ze pulseerden zacht, als een levend hart, en hij wist: dit moment deed ertoe.
Plotseling brak ze door het struikgewas heen. Haar ogen schoten vuur, haar vleugels trilden donker en scherp.
“Geef ze terug,” gromde ze, haar stem rauw als schors die breekt. “Dat zijn míjn kaarten.”
Lees verder